knutsel.com


knor [knɚr] m grunt [of a pig]; ~ren krijgen F get a scholding.
knorhaan [ˈknɚrha.n] m gurnet, gurnard. knorren [knɚrə(n)] vi 1 grunt [of pigs]; 2 fig grumble, growl; 3 scold; ~ op scold.
knorrepot [-rəpɚt] m grumbler, growler.
knorrig [-rəg] grumbling, growling, F grumpy.
knorrigheid [-hɛit] v grumbling (growling) disposition F grumpiness.
knot [knɚt] v knot [of silk, hair].
knots [knɚts] v club, bludgeon.
knotsslag [knɚtslɑx] m bludgeon stroke.
knotsvormig [knɚtsfɚrmix] club-shaped.
knotten [ˈknɚtə(n)] vt 1 pollard [a willow], head down [a tree]; 2 truncate [a cone]; 3 fig curtail [power].
knotwilg [ˈknɚtvilx] m pollard-willow.
knuffelen [ˈknüfələ(n)] vt F hug, cuddle.
knuist [knœyst] m & v F fist, paw; blijf eraf met je ~en paws off!
knul [knül] m F dolt, booby, mug; een goeie ~  F  a good fellow.
knuppel [ˈknüpəl] m 1 cudgel, club, bludgeon; 2 S joy-stick; 3 fig lout; dat was een ~ in het hoenderhok der Liberalen that was a bomb-shell thrown into the ranks of the Liberals.
knuppelen [-pele(n)] vt cudgel.
knus [ˈknüs] aj (& ad) snug(ly).
knusjes [ˈknüʃəs] F snug(ly).
knutselaar [ˈknütsəla:r] m handy-man, potterer.
knutselen [-sələ(n)] vi potter, do small jobs, do some trifling work; in elkaar ~ put together.
knutselwerk [-səlvɛrk] o pottering, trifling work.
koalitie zie coalitie.
kobalt [ko.ˈbɑlt] o cobalt.
kobaltblauw [-bliɚu] o & aj cobalt-blue.
kobra zie cobra.
Kobus [ˈko.büs] m F Jim(my).
koddebeier [ˈkɚdəbɛiər] m gamekeeper.
koddig [ˈkɚdəx] I aj droll, odd, comical II ad drolly.
koddigheid [-hɛit] v drollery, oddity, comicality.
kode(-) zie code(-).
kodifi- zie codifi-
koe [ku.] v cow; oude ~ien uit de sloot halen rake up old stories; geen oude ~ien uit de sloot halen let bygones be bygones; men noemt geen ~ bont of er is een vlekje aan there is no smoke without fire;  de ~ bij de horens vatten (pakken) take the bull by the horns, grasp the nettle; men kan nooit weten hoe een ~ een haas vangt a cow may catch a hare.
koëdukatie zie coëdukatie.
koëfficient zie coëfficient.
koehandel [ˈku.handəl] m horse-trading, bargaining, jobbery.
koehoorn, -horen [-ho:rən] m cow's horn.
koe(ie)huid [-(jə)hœyt] v cow's hide.
koeiekop [-jəkɚp] m cow's head.
koeieoog [-jəo.x] o cow's eye.
koeiestaart [-jəsta:rt] m cow's tail.
koeiestal [-jəstɑl] m cowshed, cowhouse, byre.
koeieneren [ku.jðˈne:rə(n)] vt P bully.
koek [ku.k] m 1 cake; 2 gingerbread; ze